maandag 18 juli 2011

Het schreeuwen verleerd

Politiek is net werken. En af en toe is politiek net werken in het riool; het stinkt, maakt je misselijk en moet gedaan worden. Geloof me, ik weet het. Maar op die momenten, als je de drollen om je heen ziet drijven, weet je dat de grootste rechtop staat en zichzelf belazert met het idee dat het op den duur allemaal wel goed komt.

Blijven drijven en wachten tot het allemaal overgaat is de gebruikelijke methode, maar daar alleen ik ben daar bij gebaat. Dat maakt mij vooral een flapdrol. En tot zover de fecaliĆ«nmetafoor. Ik wil aan de slag, mijn vinger op de zere plekken leggen, niet mijn mond houden want misschien, ooit, mogen we dan aanschuiven aan de bestuurderstafel. Dat is niet alleen laf, maar ook je kiezers voor de gek houden; “U hoort voorlopig even niets van ons, want alleen zo proberen we nog een beetje invloed te krijgen op de gang van zaken.”.

Ik vind het onbestaanbaar dat er nog steeds mensen zijn die menen dat een politicus wat vergaderingen moet bijwonen, misschien voorzit en daarmee de democratische plichten zijn vervuld. Een politicus moet buffelen, zwoegen, keihard werken. Niet voor 1.000 stemmen, niet voor 100 stemmen, maar voor die ene stem die in 2014 misschien ook nog eens naar een andere partij gaat. Nou en?!

Met kromme tenen kijk ik om me heen en zie nergens bezieling, zie ik nergens meer het verlangen om beter te worden, zie ik het wegebben van ambitie en zie het groeien van onverschilligheid. Ik wil een positief geluid laten horen, niet meer het jammeren van teleurstelling. We konden het baken zijn voor anderen, maar het dedain waarmee we hen benaderden is begrepen. We leiden niet, we hebben ons buiten het spectrum geplaatst, niet omdat we te hard schreeuwen, maar omdat we niet meer schreeuwen.